SF en de Nederlanden

Waarom deze blogpost?

Lebowski is dit jaar (2018) aan de weg aan het timmeren met naar Engels vertaalde SF van zes Nederlandse en Vlaamse literaire schrijvers. Tirade kwam vorig jaar uit met een SF-special met zes verhalen die tijdens de Harland-dagen van 2017 voorgelezen werden aan het aanwezige publiek.

Deze week verscheen er een recensie van Edge.Zero 2016, was er in mijn tijdlijn opnieuw een discussie over wat SF precies is of ‘zou moeten zijn’ volgens sommigen, en verschenen er een vooraankondiging van het NCSF dat er dit jaar een SF-wedstrijd gaat komen. (Hoera!)

Tijd dus om weer eens wat dingen op een rijtje te zetten.

 

De korte samenvatting

We kampen in mijn optiek al meer dan 30 jaar (langer dan dat is voor mijn tijd) met hetzelfde probleem: de SF in Nederland blijft hangen op het niveau van Amerika in 1935. Leuk uitgewerkte, oppervlakkige ideetjes die weinig reflectie geven op de werkelijkheid rondom ons. Verhalen met weinig kraak of smaak, die dramatisch uit elkaar beginnen te vallen op het moment dat de inhoud onder handen komt van een kritische lezer. Lectuur van matige kwaliteit.

Wat een groot deel van de Nederlandstalige schrijvers, die ik gelezen heb, niet lijkt te beseffen is dat 1935 inmiddels ver, ver, ver in het verleden ligt. De SF van 1960 en vandaag mag eindeloos meer omvatten dan die klassieke verhalen over verzonnen wetenschappelijke uitvindingen. (Zie mijn samenvatting beneden, van ongeveer 80 jaar geschiedenis en ‘Wat er overblijft’ voor mijn geëxtrapoleerde definitie van ‘wat is SF?’)

Toch lijkt het alsof velen van ons ongeveer daar zijn blijven hangen. In 1935. “Want verhalen over fictieve wetenschappelijke vindingen en/of ruimteschepen en vreemde planeten is SF”. Fout. Het is een subset.

Dan: willen we als schrijvers van het genre serieus genomen worden, dan is het wellicht handig net even die extra tijd te nemen om een verhaal beter uit te werken, dieper door te denken; dieper na te denken over de literaire mogelijkheden die een verhaalwereld te bieden heeft. Hoe kun je personages, je wereld en je plot bijvoorbeeld net even meer diepte, betekenis en zeggingskracht geven? Zelfs als je voornamelijk lekker leesbaar werk wilt schrijven. (Want laten we wel wezen, echt-literair werk dat niet inhaakt op universele thema’s veroudert vaak snel en is zelden leuk om te lezen.)

‘Herkenbare verhalen’ zoals de “grounded” verhalen van Labowski zijn wat mij betreft verder geen oplossing om een groter publiek te bereiken. Tenzij je graag door een nauwe SF-koker kijkt, van sterk verdunde shit houdt en SF wilt gaan reduceren tot het punt dat er bijna geen SF meer over is.

Fuck dat.

Ik zie liever meer ambitie. Verhalen met een wijdse blik die ‘Krijg de tyfus!’ schreeuwen tegen ongeveer alle conventies. Verhalen die vakkundig en grondig zijn opgezet; zo solide zijn dat je er met de beste wil geen kogel doorheen kunt schieten. Verhalen die diep gaan op menselijke vlakken, die de grenzen opzoeken van wat mogelijk is, heilige huisjes aan de kaak stellen.

Veilige middelmaat is er al voldoende. Morgen is inmiddels vandaag geworden. Er kan veel meer.

 

Gaat het goed met de SF in Nederland?

Lastig om te zeggen. Er zijn een handvol schrijvers die zich bij voorkeur voornamelijk op SF richten (onder andere ikzelf, Tais Teng, Johan Klein Haneveld, Jasper Polane, Jorrit de Klerk, Anaid Haan, Tom Schoonbaert en Django Matthijsen). Er zijn aanzienlijk meer schrijvers die Fantasy schrijven.

SF zelf is (volgens Lebowski) geen fijne term meer, want redenen en dus spreken ze daar over “grounded”, wat dat dan ook precies de fuck mag betekenen.

Mijn indruk van het weinige recente werk dat ik heb kunnen lezen (in de afgelopen 10 jaar is dat ongeveer 200 tot 500 verhalen van meer dan 2000 inzendingen van eigen bodem) is de volgende:

  1. Weinig ambitie — Ik vind vooral veel voorzichtig werk, waarin weinig literaire risico’s worden genomen en waarin de SF-werelden niet echt diep worden uitgewerkt.
  2. Weinig risico — Ik zie weinig tot geen schrijvers die risico nemen, onderwerpen durven aan te snijden die taboe zijn, onderwerpen pakken die schuren met de gangbare meningen of de gangbare afspraken. Weinig tot geen schrijvers die van de gebaande paden durven te gaan, die met vorm en stijl durven te spelen, die zichzelf serieus durven te nemen in hun schrijven en daarmee hard op hun bek durven te gaan. (Wedstrijden lijken voornamelijk tot risicomijdend gedrag te leiden.)
  3. Oudbakken — Nog steeds veel oudbakken ideeën, alsof Asimov, Clarke en Heinlein geen dode ouwe lullen zijn, maar nog steeds hip en relevant. Alsof SF-series op TV modern en bij de tijd zijn, inplaats van matig geschreven en hopeloos achterhaald (als in: dit werkte nog goed in 1930) in hun SF-aannames.
  4. Gemakzuchtig in de aannames — Duidelijk weinig research, niet op de hoogte van de meest recente medische en technologische ontwikkelingen, uitganspunten voor verhalen die al op het eerste gezicht omvallen als daar een kritische blik op geworpen wordt.
  5. Veel plotgaten — Een plotgat is ongeveer alles dat de premisse in een verhaal onderuit haalt. Dingen die niet kloppen, maar een cruciale rol spelen in het verhaal. De meest voorkomende? Foute aannames over culturen, menselijke motivaties, vindingen en voorwerpen.

Gaat het goed?

Meh.

  1. Er mag veel meer SF geschreven worden.
  2. Die SF mag best ambitieus zijn. En modern.
  3. Schrijvers mogen absoluut meer risico gaan nemen: eigen grenzen gaan opzoeken.

 

‘Mag dat niet dan?’

De eerste tegenreactie op dit soort kritiek is: ‘mag dat niet dan?’ in verschillende vormen. Moet een schrijver persé alles helemaal goed doen?

Nee. Schrijvers moeten vooral schrijven wat ze willen schrijven. De doelgroepen zijn er. De liefhebbers laten zich steeds meer en steeds vaker horen in fora en op sites als Hebban.

Tegelijkertijd is er ook ruimte voor meer en beter. Meer SF. Betere verhalen.

Ik zie graag een beweging ontstaan waarin we in Nederland en België daadwerkelijk ons eigen potentieel gaan benutten, inplaats van het blijven produceren van nog meer wegwerpverhalen omdat tijd, geld en werkelijke schrijfuitdagingen (van kritische uitgevers o.a.) grotendeels ontbreken.

 

Wat is SF precies?

SF begon ooit als “Fictieve Wetenschap-verhalen”. Verhalen over wetenschappelijke vindingen, om wat exacter te zijn. Verhalen over verzonnen wetenschappelijke vindingen.

Dat was 1928 en 1931.

Toen kwamen de jaren ’30 ten einde en begon het tijdperk van uitgevers als John W. Campbell. John Campbell was van mening dat uit de losse pols geschreven oppervlakkige “wetenschappelijke-fictie” verhalen hun tijd wel gehad hadden.

Cambell begon schrijvers actief te duwen. “Ik wil dit en dat in je verhalen zien,” en: “Wat als je –inplaats van X en Y– nou eens zus en zo zou doen?” Er werd letterlijk ruimte geschapen voor verhalen rondom sociale thema’s en culturele vraagstukken. (Denk aan vragen als: “Je bent een telepaat. Wat is de impact daarvan op jezelf en op de maatschappij? Wat als je niet de enige bent?”) Verhalen moesten inhoud hebben, resoneren met het nu van toen, goed opgezet zijn, goed onderbouwd worden. Personages in die verhalen moesten meer diepte hebben dan de bordkartonnen figuren van de tijd daarvoor.

Daar kwam onder andere de “Foundation”- en de “Stalen holen” series van Isaac Asimov uit voort; “Slan”, “Het rijk van het atoom” en de “Nul-A” serie van Van Voght; “De grote onttakeling” en “The Stars my destination” van Alfred Bester.

Met de komst van New Wave (Brits van oorsprong, mede op gang gebracht door Michael Moorcock) in de jaren ’60 werden de laatste grenzen rondom SF omver getrokken. Publiceerbare SF hoefde niet langer meer “wetenschappelijk” te zijn, of rond een “wetenschappelijke uitdaging” te draaien. Experimenten met vorm en stijl werden (zeker in het geval van Moorcocks tijdschrift: ‘New Worlds’) juist extra gestimuleerd.

Sociale vraagstukken mochten in deze periode nog prominenter uitgewerkt worden (denk o.a. aan het werk van Ursula Le Guin, Joanna Russ, Ballard, Brian Aldiss, John Brunner en Norman Spinrad) en de ‘echte’ harde SF verdween in een aantal gevallen zelfs volledig naar de achtergrond. Sterker nog, meer en meer SF verhalen schoven in deze periode richting een vorm van ‘Science Fantasy’ waarin technologie wordt ervaren als magie, maar de magie voor de lezer duidelijk nog steeds SF is. Roger Zelazny was één van die schrijvers die gedurende de zestiger jaren heel sterk die beweging maakte met boeken als “Noem me Conrad”, “Lord of light” en “Jack van de schaduwen”.

In de jaren ’70 is wat mij betreft voornamelijk sprake van stabilisatie. Het nieuwe van de New Wave is voorbij, maar de winst blijft. Er is nu vol ruimte voor SF-verhalen die niet langer meer “scientific” hoeven te zijn, die volledig literair van aard kunnen zijn, die kunnen gaan over sociale en politieke thema’s zoals (de gevolgen van) overbevolking (Harry Harrison, Brian Aldiss, Robert Silverberg), het aan de kaak stellen van religie en religieuze vraagstukken (Robert Heinlein, Philip Dick, Frank Herbert) seksisme (Russ) en die zich primair richten op de psychologische gevolgen van bepaalde keuzes of maatschappelijke veranderingen (Philip Dick, Robert Silverberg, John Brunner).

Aan het einde van die zelfde jaren ’70 gebeurt er echter ook iets anders: het business-model van de uitgevers verandert. Er moet geld verdiend worden, winst gemaakt.

Dit wordt in de jaren ’80 op verschillende manieren zichtbaar. Je krijgt drie categorieën: midlist-schrijvers, bestseller-schrijvers en dat wat commercieel niet tot nauwelijks aanslaat. Waar uitgevers tot en met de jaren ’70 nog risico namen met die derfde categorie, gaan deze zelfde uitgevers in de jaren ’80 een commercieel veiligere koers varen.

Het is de tijd van series: trilogieën, pentalogieen, decatologieen. En liever niet te experimenteel werk. Vooral de New Wave auteurs die zich niet kunnen aanpassen krijgen het moeilijk.

SF zelf lijkt in deze periode haar nieuwgewonnen wilde haren te verliezen, saaier te worden. Conservatiever.

De enige uitzondering is Cyberpunk: een ‘beweging’ die begin jaren ’80 op gang komt en wortels heeft in o.a. het werk van Alfred Bester, Philip Dick en Film Noir. Dystopisch, voet op het gaspedaal, wijds, paranoïde, gegrond in een wereld die vaak geregeerd wordt door bedrijven en met technologie die dichter bij huis ligt, meer gebed in de realiteit van dat moment. Geen hypersprongen, geen Science Fantasy.

De jaren ’90 zijn rampzalig voor SF.

Pas rond 2005 begint SF weer aan een terugkomst. De singulariteit is een begrip aan het worden. Talloze ideeën die in de jaren ’80 en ’90 in al in bepaalde Amerikaanse subculturen naar boven zijn komen drijven (upload van bewustzijn, transhumanisme) breken door naar SF via schrijvers als Vernor Vinge, Ian M. Banks, Charles Stross en Hannu Rajaniemi.

 

Wat er overblijft

Als je SF vanuit de volle historie pakt, dan blijft op de vraag: ‘Wat is SF?’ ongeveer het volgende over (bold voor duidelijkheid):

SF-verhalen zijn verhalen waarin de dagelijkse realiteit behoorlijk anders is dan die van deze wereld, als gevolg van een aantal ingrijpende, fictieve, niet-magische gebeurtenissen waarvan de consequenties duidelijk zichtbaar en merkbaar zijn in die verhaalwereld.

Die ingrijpende, fictieve gebeurtenissen kunnen van werkelijk elke denkbare aard zijn. “Hitler stierf in 1941 en Stalin veroverde Europa met hovercrafts” bijvoorbeeld. Of: “LSD werd in 1971 wereldwijd ingezet als terreurwapen”. Of: “In 2150 liggen de sterren open, dankzij sprongtechnologie” of “Nederland is in 2100 volledig ondergelopen. Genetische manipulatie is volkomen normaal. Iedereen buiten dijken van diamanthard materiaal leeft op vlotten”. OF: “Dit is een totaal andere wereld dan Aarde, met totaal andere levensvormen, waarin ook de culturele en sociale normen geheel anders zijn” (een tak van SF die in dit artikel overigens niet verkend wordt).

Binnen deze definitie is ‘Near Future’ niet tot nauwelijks SF, tenzij die toekomst echt grondig anders is dan we logischerwijze kunnen verwachten (een aantal ingrijpende gebeurtenissen). Hetzelfde geld voor verhalen waarin magie belangrijker is dan technologie. Waarschijnlijk wel Fantasy en geen SF.

 

De ontwikkeling van SF samengevat:

Jaren 30: fictieve wetenschap is de absolute spil van SF. Elk verhaal moet rond een wetenschappelijke vinding draaien

Jaren 40: Eerste stap naar volwassenheid. Verhalen moeten ergens over gaan, meer dan alleen “wetenschap”. Van schrijvers wordt verwacht dat ze hun werk serieus gaan nemen, dat ze hun onderwerpen goed uitwerken, dat de personages in die verhalen meer zijn dan bordkarton. (Voornamelijk hier lopen we wat mij betreft vast in Nederland. Wat in mijn optiek ontbreekt is een sterk publicatieplatform en een ‘John W. Campbell’ die schrijvers stimuleer méér te doen dan een verhaaltje neer te plempen.)

Jaren 50: Consolidatie, Beatnik en andere literaire invloeden. Je komt al 10 jaar lang niet meer weg met “Piet in de ruimte”. Piet heeft een vader, een moeder, een sociaal leven, een vrouw of vriendin (want homoseksualiteit is in 1955 nog steeds taboe) een beroep en dingen buiten het verhaal die direct invloed hebben op zijn keuzes. De culturele revoluties die leiden tot Rock & Roll en Beatnik beginnen ook zichtbaar te worden in de SF. Piet kan een antiheld zijn, die drugsverslaafd is (oei! gewaagd!), een mislukking, een sukkel.

Jaren 60: New Wave. Alles wordt mogelijk. ‘Wetenschap’ en de klassieke SF-tropes van de jaren ’40 en ’50 zijn achterhaald en oudbakken. Nieuwe shit, zoals overbevolking, de wereld die naar de klote gaat, LSD, Science Fantasy, het aan de kaak stellen van racisme en seksisme, seksuele bevrijding, dáár draait het om. Personages kunnen qua oriëntatie van alles en nogwat zijn: homoseksueel, transseksueel, biseksueel, aseksueel, polyamoreus, queer, gefixeerd op bepaalde fetishes, noem het maar op. De huidskleur van de primaire personages is ook niet langer meer uitsluitend blank (al hebben uitgevers in die periode nog steeds moeite om niet-blanke mensen op de boekomslagen te plaatsen).

Jaren ’70: Literaire SF. New Wave verliest haar wilde haren. De schrijvers die New Wave schreven gaan in veel gevallen meer literaire SF schrijven. SF wordt in die kringen wat meer volwassen en (wat mij betreft) tegelijkertijd wat saaier. De thema’s en andere relevante aanvullingen blijven.

Jaren ’80: Conservatieve commerciële overwegingen. Uitgevers nemen steeds minder risico’s in hun investeringen. Nadruk begint steeds meer op bestsellers en longsellers te liggen. SF-Schrijvers die spannend en vernieuwend werk produceerden, maar te weinig verkopen, verdwijnen langzaam uit beeld.

Jaren ’90: Fantasy is de shit, SF lijkt stervende te zijn. Er verschijnt relatief gezien slechts een fractie van wat in de jaren ’60 en ’70 werd gepubliceerd. Dat werk is in veel gevallen een greep terug naar de Gouden Tijd van de jaren ’40. Helden en ruimteschepen. Voor het experiment en de literaire insteek lijkt nauwelijks meer ruimte te zijn. Grote vraag die wordt meegenomen uit de jaren ’80: “Alle SF-ideeën zijn inmiddels werkelijkheid. Waar kun je nu nog over schrijven?”

Jaren ’00: Young Adult is de shit en blaast SF nieuw leven in. Young Adult gaat waar klassieke SF niet kwam: het heeft goede verkopen, een paar goede boekverfilmingen. Die combo zet SF opnieuw op de kaart.

Jaren 2005 en later: Diversiteit en Post Singularity SF. Na ongeveer twintig jaar interne crisis (“waar schrijf je over? De realiteit is te snel”) wordt duidelijk dat de realiteit op veel vlakken gekker in elkaar zit dan we dachten, dat we veel problemen — inclusief doodgaan — waarschijnlijk (volgens optimisten) binnen de komende 40 tot 140 jaar gaan oplossen en dat computers onvermijdelijk eindeloos veel slimmer gaan worden dan mensen. SF begint weer op de kaart te komen bij uitgevers. Klassiekers worden herdrukt en opnieuw uitgegeven. Er komen steeds meer goede SF-films uit en het bewustzijn groeit dat zeker de klassieke SF erg eenzijdig is, dat niet-mannen, niet-blanken en niet-normatieve personages zwaar ondervertegenwoordigd zijn en dat racisme en kolonialisme niet meer van deze tijd zijn.

 

En nu?

Het universum ligt open. Realiteit binnen quantum en snaartheorie is vreemder dan men ooit had kunnen bedenken. Tijdreizen, FTL-communicatie, interstellaire sprongschepen, genetische manipulatie, cloning, robotica, telepathie zijn weer helemaal bruikbaar als je weet hoe je deze kunt koppelen aan de meest recente vindingen.

De wereld is verder nog steeds een puinhoop. Op het vlak van diversiteit in SF-verhalen ligt de wereld letterlijk aan je voeten en er zijn nog steeds voldoende zaken die in SF-verhalen aan de kaak gesteld kunnen worden. Stervende oceanen, oorlogen die veroorzaakt worden door klimaatveranderingen, huidige wereldproblemen die kunnen worden opgelost met de technologieën die nu al ontwikkeld worden, onderzoek in verhalen naar de impact van de transitie naar duurzame energie, en zo voorts.

Eerlijke representatie wordt steeds belangrijker. ‘De norm’ staat onder druk, omdat de wereld eindeloos veel diverser is dan wat een kleine groep in een afgesloten realiteitsbel dagelijks meemaakt en/of ‘gewoon’ vind.

 

Beweringen over SF die bullshit zijn:

  • SF gaat over marsmannetjes, ufo’s en gekke uitvindingen. Vooral populair als gedachte bij mensen die geen SF lezen. Zie SF uit 1931.
  • Personages in SF moeten simpel blijven. Niemand zit te wachten op X met psychologisch probleem Y. Zie in groeiende mate de jaren ’50, ’60 en ’70
  • SF is geen SF als het plot niet op één of andere manier draait om een technologische vinding. Zie New Wave en de jaren ’60 en ’70.
  • SF moet vooral ontspanning geven. Geen hoofdpijn. Als je literaire thema’s wilt gebruiken, moet je vooral literatuur schrijven. Zie de evolutie van SF sinds de jaren ’40. ‘Ik vind dit soort SF-verhalen onleesbaar’, is een ander ding dan: ‘het hoort hier niet’.

 

Voor de toekomst

In 1991 schreef ik dit: ‘SF wordt in mainstream Nederland nog steeds niet serieus genomen. Nederlandse SF-schrijvers leveren in doorsnede zwakke verhalen en  zijn lang niet zo goed als hun Amerikaanse tegenhangers.’

In 2018 geldt dit helaas nog steeds.

Dit kan absoluut gaan veranderen.

Moeten we?

Nee. Kunnen? Mogen? Ja. Bijvoorbeeld:

  1. Up to date. We kunnen de SF die nu in Nederland geschreven wordt een behoorlijke lift geven. Vergeet de stoffige, oudbakken SF-werelden van Asimov, Heinlein, Star Trek (inclusief “Discovery”), Star Wars en Arthur C. Clarke. Doe research naar wat nu gaande is op het vlak van ongeveer alles: onsterfelijkheid, medische winsten, energiewinning, ruimtevaart, quantumtheorie en SF-verhalen. Reflecteer dat in je werk.
  2. Los van (zelf)beperkingen. We mogen in SF ongeveer alles doen wat ons hart ons ingeeft, zo lang het maar aan de basis voldoet: een duidelijk andere realiteit, vormgegeven door de doorgetrokken consequenties van een aantal fictieve, niet-magische gebeurtenissen. Ben je uitgekeken op het schrijven van avonturen-SF of SF die draait rondom ‘wetenschappelijke’ vindingen, of wil je meer met dat soort verhalen dan je nu doet, of dat soort verhalen mengen met andere verhaalvormen? Kijk dan eens naar klassiekers als “Fury” van Henry Kuttner, “De grote onttakeling” van Alfred Bester, ongeveer elke roman van Philip Dick, “Babel 17” van Samuel Delany. Meer literair? “Dhalgren” van Delany, ongeveer alles van Joanna Russ, “Iedereen op Zanzibar” van John Brunner. Meer de sociologische en humanistische kant op? Het meeste werk van Ursula Le Guin. Tegendraads? Begin met “Pak Jack Barron” van Norman Spinrad. Qua bundels: “The Best SF stories from New Worlds” van Moorcock, “The year’s best SF” bundels van Judith Merril en ongeveer elke “best of” bundel samengesteld door Terry Carr. Tweedehands boekwinkels en Amazon.com zijn een goede plek om te beginnen. [1]
  3. Dieper de zelfverzonnen SF-wereld in. We kunnen veel verder en veel dieper dan we laten zien in bundels en op verhalenwedstrijden. Fuck veiligheid en prijzen winnen en modestromingen zoals: ‘zorg dat je verhalen herkenbaar zijn voor een zo groot mogelijke groep niet-SF lezers’. Ga door met extrapoleren! Ga dieper die wereld in. “Wat als dit overal realiteit is? En op sommige plekken niet? Wat als we tien jaar later zijn?”
  4. Goed uitgewerkt. We kunnen absoluut beter. Denk aan het leren opsnorren en fixen van plotgaten, het grondig meenemen van zoveel mogelijk consequenties van je verhaalideeën.
  5. Ambitieus. Wat als je de lat net even hoger legt? Het universum van oerknal tot het einde der tijden is je speelveld! Net als de wereld van quantum, snaartheorie, nanotechnologie; het volledige menselijke brein met de volledige menselijke geest en ongeveer elke literaire vorm beschikbaar. Een pyschologische – thriller – horror – steampunk-opera op een wereld zonder fauna, 60 miljard jaar van nu? Ga je gang!

[1] Er zijn verschillende redenen waarom ik me hier beperk tot oude meuk. De belangrijkste: het is goed te weten wat de geschiedenis heeft gedaan, goed om je klassiekers te kennen. De bundels van Gardner Dozois zijn goed voor hedendaags werk.

 

Wat kan er veranderen voor uitgevers en schrijvers?

Hier mijn top 3 van wat er de komende jaren kan veranderen voor uitgevers en schrijvers:

  1. Een strakke inhoudelijke redactie. Denk hier: John W. Campbell-stijl. Redacteurs die actief met schrijvers aan het werk gaat. Schrijfwerk dat door een paar grondige, technische redactierondes gaat mbt plot, uitwerking van fantastische elementen en meer van dat soort zaken.
  2. Een duidelijke beloning voor grondige redactie. Het is voor een gemiddelde schrijver niet echt aanlokkeljk eindeloos aan een verhaal te pielen als daar niets tegenover staat. Denk hierbij voornamelijk aan een groter publiek. Lof en erkenning zijn een optie, maar dan voornamelijk van toonaangevende critici en uitgevers.
  3. Bereidheid tot medewerking van schrijvers. De beloning (veel lezers, enige betaling) kan er op een gegeven moment zijn, maar als schrijvers niet bereid zijn mee te werken met hun redacteurs, blijft het voornamelijk bij meer van dezelfde middelmatigheid. Plotgaten zijn plotgaten en zwakke aannames kunnen weggepoetst worden.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s